Tuinverlichting: solar of vast aangesloten?

De keuze tussen solar en vast aangesloten tuinverlichting gaat niet over goed of fout, maar over waar de lamp staat en wat hij moet doen. Hieronder de verschillen die er in de praktijk toe doen.

Solar: waar het wel en niet werkt

Een solarlamp laadt overdag op en brandt 's avonds op wat hij heeft verzameld. Dat werkt goed in de zomer en slecht in december, precies wanneer je de lamp het meest nodig hebt. In de Nederlandse winter haalt een gemiddelde solarlamp nog maar een fractie van zijn zomerprestatie.

Solar is de goede keuze voor:

  • sfeerverlichting langs een pad of border, waar het licht niet functioneel hoeft te zijn
  • plekken waar geen kabel naartoe kan zonder het halve terras open te breken
  • tijdelijke opstellingen en verhuisbare potten

Let bij solar op twee dingen. De accu is het onderdeel dat als eerste opgeeft, meestal na twee tot drie seizoenen, dus kies een model waarbij je de accu kunt vervangen (vaak een AA of 18650). En het paneel moet echt in de zon liggen: een lamp onder een boom of tegen een noordmuur laadt nooit vol.

Vast aangesloten: 230 volt of 12 volt

Voor verlichting die je kunt vertrouwen, elke avond, het hele jaar, heb je stroom nodig. Er zijn twee routes.

230 volt

Volle netspanning. Sterk licht, geen trafo nodig, maar de aanleg valt onder de regels voor vaste elektrische installaties en de kabel moet op de juiste diepte in grondkabel worden gelegd. Voor de meeste mensen betekent dat een elektricien.

12 volt

Een trafo bij het stopcontact en daarachter laagspanningskabel die gewoon onder de grond of onder de schors mag liggen. Veilig om zelf aan te leggen, uit te breiden en te verplaatsen. Voor een normale tuin is dit vrijwel altijd de verstandigste keuze.

Bij 12 volt let je op spanningsval: hoe langer de kabel, hoe zwakker de laatste lamp. Houd de kabellengte onder de 20 meter per streng, of gebruik dikkere kabel, of voed de streng vanaf twee kanten.

IP-waarde: wat het getal betekent

Op elke buitenlamp staat een IP-code met twee cijfers. Het eerste gaat over stof, het tweede over water. Praktisch:

  • IP44: spatwaterdicht. Genoeg voor een wandlamp onder een overkapping.
  • IP65: bestand tegen waterstralen. Dit is wat je wilt voor alles wat vrij in de tuin staat, inclusief padverlichting met grondpin.
  • IP67 of IP68: bestand tegen onderdompeling. Nodig voor grondspots waar water op blijft staan, en voor vijververlichting.

Kleurtemperatuur bepaalt de sfeer

Warm wit van 2700 kelvin geeft de gele, gezellige gloed die bij een terras hoort. Neutraal wit van 4000 kelvin is zakelijker en past bij een oprit of een pad waar je vooral wilt zien waar je loopt. Koel wit van 6000 kelvin hoort in een werkplaats, niet in een tuin.

Meng de twee niet binnen één zichtlijn. Twee lampen naast elkaar met verschillende kleurtemperatuur vallen direct op en oogt rommelig.

Minder is meer

De meest gemaakte fout is te veel lampen met te veel lumen. Een tuin die overal even fel verlicht is, oogt als een parkeerplaats. Werk met accenten: licht een boom van onderaf uit, zet lage padverlichting neer die naar beneden schijnt, en laat de rest donker. Dat leest rustiger en is bovendien veel vriendelijker voor nachtvlinders, vleermuizen en je buren.

Zet lampen bij voorkeur op een schemerschakelaar of tijdklok, zodat ze niet de hele nacht branden.

Bekijk de tuinverlichting, met padlampen, solarlampen en wandlampen.